Wat er gebeurt tussen je scènes
Je zou het bijna vergeten, of denken dat het er niet toe doet: de ruimte tússen de woorden. De witregels.
Of breder: wat jij als schrijver de lezer wel of juist niet laat zien.
Beginnende schrijvers denken soms dat een verhaal ononderbroken moet zijn. Je personage staat op, ontbijt, fietst naar werk, praat met collega’s, eet lunch. We zien alles. Maar een dergelijke volledigheid levert doorgaans maar één ding op: een doodsaai verhaal. Een boek waarin niets belangrijk voelt, omdat álles wordt benoemd.
De kunst is nu juist het omgekeerde. Een verhaal is vooral een zorgvuldig geselecteerde reeks momenten. Je kiest de scènes die ertoe doen, en wat ertussen gebeurt, laat je weg.
Soms betekent dit letterlijk een lege regel, oftewel een witregel. Soms is dit een hoofdstukeinde. Om te vervolgen met, bijvoorbeeld: “Een jaar later was er nog niets veranderd.”
Maar dit is misschien makkelijker gezegd dan gedaan, want ik weet - en heb ook zelf ervaren - hoe lastig het in het begin kan zijn om te bepalen wat je uitschrijft en wat je aan de verbeelding van de lezer overlaat.
Daarom, drie dingen om te proberen:
Schrap overgangen. Ga in je manuscript op zoek naar zinnen als “ze kwam thuis, deed haar jas uit en zette thee”. De kans is groot dat dit eruit kan. Als er niks belangrijks gebeurt tussen het moment waarop je personage haar werk verlaat en het moment waarop ze thuis haar oudste zoon in zijn kamer treft, schrijf dan alleen dit op. Je moet de lezer natuurlijk wel een beetje helpen door te zeggen dat ze inmiddels thuis is, in de kamer van haar zoon, maar vertrouw erop dat de lezer zal snappen dat ze eerst naar huis gereden is. Dat ze de deur heeft opengedaan en haar jas aan de kapstok heeft gehangen. En alsjeblieft, sla de fietstocht naar huis over…
Gebruik tijdssprongen als spanningsmiddel. Scène: iemand krijgt een schokkende diagnose. Witregel. Volgende scène: zes maanden later, alles is veranderd. Een witregel als deze heeft waarschijnlijk meer impact dan wanneer je zou schrijven wat er precies allemaal in die zes maanden is gebeurd (tenzij dit nu juist is waar je verhaal over gaat natuurlijk, dan moet je het vooral wel uitschrijven). De lezer zal het voelen. Hij zal het zo ongeveer begrijpen. En natuurlijk zal hij zijn eigen kennis en eventuele ervaringen met vergelijkbare diagnoses hierin verweven, maar dat is nou juist de kracht van literatuur.
Let op wat volgt na een witregel. De eerste zin na een tijdssprong moet je lezer helpen om zich snel weer te oriënteren - waar zijn we, hoeveel later is het, wie is er? - zonder dat je het als uitleg opdient. Een goede eerste zin na een witregel doet dat in één beweging, bijvoorbeeld zo: “Tegen de tijd dat ze het huis verkocht, had Lisa haar vader al drie keer niet teruggebeld.”
Maar let op: het is net zo belangrijk om te weten wanneer je níet moet springen. Witregels werken alleen als wat je weglaat ook echt weggelaten kán worden. Als de omslag van ‘ja’ naar ‘nee’ bij je hoofdpersoon plaatsvindt tussen twee scènes in, en je lezer die omslag nodig heeft om mee te voelen, dan mag je die scène niet overslaan.
Witregels zijn namelijk geen manier om moeilijke dingen te omzeilen. Om de scènes die zich lastig laten schrijven te ontwijken.
Ze zijn een manier om weg te laten wat het verhaal niet nodig heeft. Zodat dat wat er wél staat de aandacht en ruimte krijgt die het verdient.
Wil je meer lezen over hoe je scènes aan elkaar kunt verbinden? Ik vertel er meer over in dit artikel >



