Dit is de top 3 van de Schrijfplaats Schrijfwedstrijd 2025
De 3 beste inzendingen volgens de jury
Uit meer dan honderd inzendingen stelde de jury eerst een shortlist samen van 10 verhalen. Uit deze shortlist heeft de jury nu een top 3 gekozen.
Deze verhalen vielen extra op, omdat zij sterk geschreven waren én raakten, op wat voor manier dan ook. Je leest ze hieronder.
Aanstaande zondag maak ik de winnaar bekend!



Echo’s van februarivuur - Charlotte Dekker
Ze hoorde de knal pas toen haar borst er al op reageerde, alsof haar lichaam de reis naar vroeger eerder begon dan haar gedachten. Het was oktober, maar het dorp klonk alsof het jaar al ten einde liep. Overdag klonken harde knallen die tussen de huizen weerkaatsten, vlak en scherp als steenslag. Het was vroeg in de middag, de lucht grauw van vocht. Ze wilde oversteken, maar bleef staan. De boodschappentas trok aan haar arm, te zwaar eigenlijk, haar benen voelden moe. Ze dacht: misschien een straat verder, een omweg langs de beek, daar zal het rustiger zijn. Maar haar voeten bleven staan. Aan de overkant stond een groep jongens bij een huis, ze lachten luid en lieten rotjes knallen op straat. De rook trok dunne slierten langs de gevel. Een man kwam naar buiten, een grote sporttas over zijn schouder. Hij riep iets naar een van de jongens - zijn zoon, vermoedde ze - en lachte. De toon was zorgeloos, de vanzelfsprekendheid van iemand die nooit had hoeven schuilen. Ze liep voorzichtig verder, met kleine stappen die ontstaan wanneer tijd zich in gewrichten nestelt. Het bleef even stil, toen volgde weer een knal; zwaarder, met een echo die bleef hangen. Ze voelde het trillen onder haar ribben. De middag kantelde. Ze was weer zeven. Februari 1945. Ze fietste naast haar moeder, ze waren naar Apeldoorn geweest om eten te halen. De weg naar huis was nat en modderig, het stuur schokte onder haar handen bij elke kuil. In de berm lagen soldaten, half verscholen tussen struiken en sloot, terwijl hoog in de lucht vliegtuigen ronddraaiden, glinsterend in het bleke licht. Af en toe klonk het ratelen van schoten, ver weg maar scherp genoeg om haar schouders te doen verkrampen. “Doortrappen,” zei haar moeder resoluut, zonder om te kijken. De stem strak, de handen wit om het stuur geklemd. Ze had een sjaal om haar hoofd geknoopt, het uiteinde wapperde in de wind. Ze fietsten zwijgend verder, de kou deed haar ogen tranen. Weer thuis hing ze haar natte jas bij de kachel. De warmte bracht langzaam gevoel terug in haar handen en voeten. Toen kwam het geluid dat haar de rest van haar leven zou vergezellen. Eerst een fluit, toen een dreun, de vloer die kort oprees en weer zakte. Het servies rinkelde, het stof dwarrelde uit het plafond. Haar moeder had haar vastgeklemd, zo stevig dat het pijn deed. Even vroeg ze zich af of haar vader dit ook hoorde, waar hij op dat moment was en of hij veilig was. Ze kon niet weten dat deze middag een stilte zou achterlaten die anders was dan de stilte die ze al kende. Nu, zoveel jaren later, klonk er weer zo’n klap, een zware knal, vlak bij de hoek. Ze voelde haar hart overslaan. De jongens slaakten opgetogen kreten. De man stapte al bellend in zijn auto. Ze hield haar pas in toen ze hem passeerde. “Het is nog geen december…,” zei ze zachtjes. Hij keek geïrriteerd, de telefoon nog aan z’n oor. Zijn toon trof haar harder dan ze liet merken. “Ach mevrouw, gun ze hun lolletje. U bent toch ook jong geweest?” Ze knikte niet, maar keek even naar de rook die boven de straat bleef hangen. De geur van buskruit prikte in haar neus, vermengd met vocht en kou. Ze tilde haar tas wat hoger en liep verder. Achter haar stierf een laatste echo weg tussen de huizen.
Een epyllion - Michiel Verbruggen
Ik lig plat op mijn buik op de houten steiger met mijn zoontje naast me. We kijken over de rand naar het gladde water, een spiegeling. Schaatsenrijders bewegen schokkerig over de oppervlakte. ‘Het zijn kleine mannetjes, in bootjes en ze doen een race, stelt hij vast. ‘Maar elke gaat een andere kant op dus winnen ze allemaal!’ Hij springt op, in zijn rode zwembroek, van Lightning McQueen, waarin hij liefst de hele dag wil rondhollen. Alles is een wedstrijd, overal zal hij de snelste zijn. ‘Ik wil in het water duiken!’ roept hij. ‘Maar de kleine schaatsenrijders dan? Zouden die niet van je schrikken?’ ‘Ik zal heel voorzichtig springen’. Ik doe zijn zwembandjes om, hij protesteert. Met een uitgelaten, hoge jongensschreeuw plonst hij van de steiger in het diepe. Kijk mij eens zwemmen als de beste. Druppelend klimt hij uit het water, de rand nèt binnen bereik als ik hem een handje help. ‘Wat ben ik snel he? Zal ik nog eens duiken? Zag jij dat?’ ‘Pas je wel op voor het monster in het meer?’ ‘Dat monster bestaat niet, dat zeg jij alleen maar!’ ‘Wacht naar af als er straks iets aan je teentjes gaat knabbelen.’ Hij is er niet gerust op, niet helemaal. ‘Is er echt een monster in het water?’ ‘Misschien, het is een groot meer. En heel diep.’ ‘Maar ik kan snel zwemmen. En ik ben dapper!’ Hij trommelt op zijn borst. Hij is niet bang voor trollen. Dus waarom voor een monster? Ik draai op mijn rug en verdrink bijna in de eindeloos blauwe hemel. Alleen een enkel wolkje drijft voorbij. Het zal een mooie, warme dag worden. Een kletsnat jongetje springt op mijn buik, zijn koude armpjes om mijn nek. Wat gaat erom in zijn hoofd als hij verzamelt in het bos, mijmert aan het meer, fronsend kijkt als ik tot hem spreek? ‘Je moet verder lezen, over de trollen!’ ‘Vanavond’, beloof ik. ‘Voor je slapen gaat.’ ‘Jij bent de stomste vader! Ik ga naar mama.’ Zijn voetjes maken kletsende geluiden op het plankier. ‘Zoek jij nog maar wat trollenhaar’, roep ik hem na. De lange zomer in Zweden. Ik sluimer weg. Droom van het meer en de grenzeloze lucht daarboven. Ik verdwaal in alle verhalen die ik hem verteld heb. Over de stenen die, als het schemert, trollen worden. Over het bos dat geurt naar veenbessen, die we zullen plukken in het moeras, in onze natte schoenen. Over de wilde dieren, sluipend, loerend, zonder dat we ze zien (maar zij ons wel!), over Freya en Odin die in het woud leven, nèt daar, achter die boom, zie je haar, was dat niet Freya, daar in de mist? Over hoe hij ’s avonds in de tent zal liggen, nog met natte haren, vol van alles dat hij heeft beleefd, die dag. Alles wil hij vertellen, maar ook alles wil hij horen. Vertel dit nog eens, en dat. En als hij dan vol overtuiging slaapt, zo diep als alleen een kleine jongen dat nog kan, kijk ik buiten de tent naar de sterren. Alle jongensdromen samengevat, in die restanten die zich in een lange zomer verzameld zouden hebben in de auto, als steentjes, takjes, mosjes. Zijn tekeningen van het monster. Die eenmaal thuis hun weg zouden vinden op zijn kamertje tussen alle andere schatten die verzameld moesten worden. Wij zouden dat opgeruimd hebben, onder zijn protest, dat wat resteerde, van alle kleine gedachten, grootse plannen en al die heldenmoed. Naast mij uitgestald een bergje rendiermos. Een torentje van stokjes, precies gestapeld. Een mooie steen. En twee oranje zwembandjes.
Zesenvijftig zomers - Anke Kampschreur
De tuin omarmt het groepje dat zwart als een vlucht kraaien op de houten tuinstoelen is neergestreken. Bekende gezichten die hem vreemd zijn geworden. De tijd heeft zijn werk gedaan. De zoon, ooit het jongetje dat kriebelbeestjes ving tussen de bladeren, is een man in zwart pak geworden. Niet één keer heeft hij opgekeken van het schermpje in zijn hand. De nieuwe naast hem, in een strakke zwarte jurk, schudt aan zijn arm. ‘Erik, kom op nou.’ De zoon zucht en stopt het schermpje weg. Hij begint te wiebelen op zijn stoel. Vroeger kon hij al niet stilzitten. De dochter, het meisje dat altijd op de schommel te vinden was, heeft strepen zilver in haar strak bijeengebonden haar. Achter haar donkere brillenglazen zoekt de tuin vergeefs naar die sprankeling van toen. Haar hand ligt op die van de grijze dame, die lijkt te zijn gekrompen sinds de laatste keer dat de tuin haar zag, pas een paar dagen geleden. In niets lijkt ze op de struise vrouw die eerst de kinderen, en later de buurkatten, weghield uit zijn bloemenperkjes. Zij heeft hem al die jaren geknipt en geschoffeld. Eerst samen met de heer en later, toen de heer in zijn rolstoel op de tegels bleef staan, alleen. Toegegeven, er bleven gaandeweg steeds meer hoekjes ongesnoeid. Op een dag bleef de snoeischaar zelfs voorgoed aan het haakje in het schuurtje hangen. Maar zíj is tenminste gebleven. Een jongetje komt van achter uit de tuin aangerend, onderwijl zijn daslook plettend. Het kind kruipt bij de dame op schoot en kijkt met heldere ogen naar haar op. ‘Vindt opa het niet koud onder de grond?’ ‘Opa vond al een tijdje niks meer, lieverdje.’ Haar stem klinkt schor. ‘Mam,’ zucht de dochter. ‘Maak Dirkje nou niet in de war. Hij vindt het al zo ingewikkeld allemaal.’ Ze aait het jongetje over zijn krullen. ‘Oma is een beetje moe, lieverdje. Ga maar even in de keuken kijken of er nog iets lekkers ligt.’ Ze buigt zich naar haar moeder. ‘Zal ik even een koffertje pakken voor een paar dagen? Dan breng ik je er daarna heen, goed? Hoef je hier vannacht niet meer te blijven.’ Een rilling gaat door zijn wortels. Dus toch. Eerst namen ze de heer mee, nu haar. Dat mag niet gebeuren. Voor je het weet sta je vol met graafmachines. De mensen geven niets meer om een weelderige tuin. Hij heeft gezien hoe het hiernaast is gegaan. Er komt een stapel tegels en daar ga je. Nee, dan liever een beetje woekerig. Zesenvijftig zomers deelden ze. Die gooi je niet zomaar weg. Even twijfelt hij. Dan weet hij wat hem te doen staat. Hij laat de tuinfluiter zijn concert openen, gevolgd door de merels en de lijsters. Prachtig klinkt het. De dame gaat rechtop zitten. Verwonderd zoeken haar ogen de tuin af. Haar blik valt op de woekerende rozenstruik, die licht lijkt te geven in het uitbundige zonlicht. Eroverheen geurt de jasmijn naar lang vervlogen zomers. In tijden heeft de tuin zich niet zo uitgesloofd. Hij wist niet dat hij het nog in zich had. De dame glimlacht. Dan duwt ze zich op aan de leuningen en schraapt haar keel. Haar ogen fonkelen. De zoon stopt met het tikken tegen de gewichtjes van het tafelkleed. De vogels zwijgen. De tuin houdt zijn adem in. ‘Mam, wat is er? Moet je naar de WC?’ reddert de dochter. ‘Ik help je wel even.’ De dame heft haar hand en kijkt om zich heen. ‘Ik ga niet,’ zegt ze dan. ‘Ik blijf hier.’ Het lijkt wel of ze naar hem knipoogt.


