De verhalen in ons
Lessen van Benedict Wells
Hoewel ik niet ál zijn boeken even goed vind, ben ik fan van de Duitse schrijver Benedict Wells.
In een poging een periode niet te schrijven, schreef hij ‘per ongeluk’ toch. Geen roman dit keer, maar een boek over hoe hij schrijver werd en wat hij heeft geleerd over schrijven.
Het boek verscheen blijkbaar vorig jaar in de Nederlandse vertaling bij uitgeverij Meulenhoff, maar dit was mij volledig ontgaan. Ik las een interview met Benedict Wells in een tijdschrift dat ik normaal niet lees (en ik zou ook niet meer kunnen zeggen welk tijdschrift dit was), terwijl ik zat te wachten bij de kapper. En daar had hij het ineens over zijn boek: De verhalen in ons - Hoe het verlangen om schrijver te worden een uitweg was uit een eenzame jeugd.
Natuurlijk kocht ik het boek zodra ik de kans kreeg. De dagen van sneeuw en ijs liet ik zoveel mogelijk aan me voorbijgaan, om heerlijk met dit boek op de bank te kruipen.
Aan het begin van het boek vertelt de schrijver over zijn moeizame jeugd en zijn tijd in internaten. Hoe hij op een dag besloot schrijver te willen worden en hoe hij dit op een werkelijk nietsontziende wijze voor elkaar heeft gekregen.
Ook hij kreeg immers - zoals vrijwel elke schrijver - afwijzing na afwijzing.
Het eindeloze herschrijven, hele hoofdstukken schrappen en schaven aan zijn eerste manuscript vond ik zeer herkenbaar. Het schrijven van een eerste boek gaat vaker wel dan niet samen met het léren schrijven van een boek. Je kan het echt niet zomaar ineens. Maar als je volhoudt, maanden of misschien wel jaren, en als je openstaat voor opbouwende kritiek en ook echt beter wilt worden, wie weet lukt het dan.
Ik heb het boek nog niet uit, maar ik deel hier graag alvast twee passages.
Over de eerste versie van je manuscript
Ik heb hier ook al de nodige artikelen aan gewijd, toch kan het wat mij betreft niet vaak genoeg herhaald worden: een eerste versie van een manuscript mag gerust héél erg slecht geschreven zijn.
De eerste fase van het proces gaat om het loswoelen van het verhaal. Alleen het creatieve deel van jou is aan het woord, al het andere moet zich even koest houden.
Ook Benedict Wells haalt in zijn boek Ernest Hemingway aan: ‘First drift of anything is shit’.
Er is geen schrijver ter wereld die zijn eerste versie ongewijzigd in de boekhandel heeft weten te krijgen. Er is, denk ik, ook geen schrijver die dit zou willen.
Benedict Wells zegt - naast veel andere dingen - dit over eerste versies:
“Eerste versies zijn vaak gruwelijk slecht. Je dobbert roerloos op een zee van blanco pagina’s en wilt denkbeeldige ‘zeilen die opbollen in de wind', zoals Shakespeare het noemde. Maar na het triomfantelijke vertrek uit de haven staat er al snel nog maar een lauw briesje en het duurt niet lang of het is volkomen windstil. Je drijft stuurloos over zee. En het maakt niet uit of je met je debuut bezig bent of met je zoveelste roman: bij elk nieuw manuscript ontstaat vroeg of laat die soms kleine, soms haast onoverbrugbare kloof tussen datgene wat je wilde maken en de tekst die je aan het schrijven bent. […]
Veel beginners zullen het herkennen: je komt met je ruwe eerste versie almaar niet verder, voelt je verloren - en houdt er halverwege mee op omdat je er geen vertrouwen meer in hebt en het ook niet leuk meer vindt. Maar dat berust op een dubbel misverstand. Ten eerste hoeft het opschrijven van de eerste versie niet altijd leuk te zijn - bij mij is het zelfs een uitzondering als het lekker gaat. Ten tweede is een vroege versie niet het voltooide boek, dus die mag nog best vol fouten staan. Het is zelfs een uitnodiging om dingen uit te proberen en eventueel te verpesten, want al schrijvend kun je altijd alles nog veranderen - behalve blanco pagina’s. Wat maakt het uit als je eerste ontwerp nergens op lijkt? De hoofdzaak is dat je er iets van opsteekt wat in een latere, betere versie van pas kan komen.
Juist in het begin overtreft je visie je vaardigheden, maar dat is toch normaal? Als je piano leert spelen, ben je ook niet meteen een goede pianist - dat vergt een jarenlange studie, hoe hartstochtelijk je ook van muziek houdt. Met welk recht zou je bij een tekst dan verwachten dat je meteen, zonder oefening en zonder kennis van de praktijk, een overtuigend schrijver bent? […]
Bij het schrijven verloopt nooit alles gladjes, bijna altijd zit er wel iets niet goed. Daar moet je aan wennen. Je ego wil snelle bevestiging, maar het criterium voor een eerste versie is voor mij niet dat die goed is, maar dat ik hem af krijg. Afmaken waar je aan begonnen bent is het moeilijkste van alles, dat weet iedereen die ooit heeft geprobeerd iets in de kunst te bereiken. Als die eerste versie ook góéd moest zijn, dan had ik nooit zelfs maar één boek kunnen schrijven.”
Over het herschrijven
Wells beschrijft in het boek hoe hij in de fase van het herschrijven van een manuscript zijn verhaal bekijkt alsof hij in de montagekamer zit. Er is veel te veel ‘filmmateriaal’ en lang niet alles is goed bruikbaar.
En soms moet je een ‘cut’ toepassen, oftewel het beeld afsnijden en de rest aan de fantasie van de lezen overlaten, om vervolgens het verhaal op een ander punt weer op te pakken.
Over het schrijven van een van zijn bekendste boeken, Het einde van de eenzaamheid, schrijft hij dit:
“De oerversie van Het einde van de eenzaamheid telde 800 pagina’s. Bij het inkorten tot de uiteindelijke 355 pagina’s bedacht ik eerst heel bewust waar een cut zin had, wat ik móést vertellen en wat ik aan de fantasie van de lezer kon overlaten. Net als bij een Jenga-toren trok ik er telkens een scène uit en keek dan of het geheel omviel (wat meer dan eens gebeurde). Ik wilde naast mijn roman een soort roman neerzetten die in het hoofd van de lezer moest ontstaan. Niet uitleggen waarom de als liefdevol geschetste tante de drie kinderen na de dood van hun ouders niet in huis neemt, maar naar een internaat stuurt. Zulke hiaten wilde ik er bewust inlaten, zodat de lezer er zelf over na kon denken.
In hoofdstuk 4 komt een dramatische passage voor waarin de vriendschap tussen Jules en Alva sneuvelt. Aan het slot van de scène rent hij woedend en teleurgesteld door de weiden bij haar weg. Hun schooltijd zit erop en ze zullen elkaar elf jaar niet meer zien. In het hoofdstuk dat daar oorspronkelijk op volgde zijn we drie jaar verder: Jules woont in Hamburg en dreigt als fotograaf te mislukken. Die winter glijdt hij steeds verder af. Zijn eerste relatie (niet met Alva) loopt op de klippen en tegen het eind wordt hij in de metro in elkaar geslagen bij een poging iemand anders te hulp te komen. Hij belandt in het ziekenhuis, stopt met fotograferen, wordt straatarm en raakt verbitterd. In zijn wanhoop zoekt hij zijn toevlucht bij zijn broer Marty in Wenen en ze komen weer nader tot elkaar.
Het waren honderd pagina’s, die jarenlang in het manuscript hebben gestaan - totdat ik besloot ze integraal te schrappen. Ten eerste omdat dat gedeelte op de een of andere manier steeds maar saai en oninteressant bleef en de vaart uit het verhaal haalde. Ten tweede leek het me niet nodig om een andere relatie zo uitvoerig ter sprake te brengen, want in het boek gaat het alleen om Jules’ relatie met Alva. En ten derde omdat je er niets echt nieuws over Jules te weten kwam. Het verhaal werd hier in de breedte verteld, het kwam niet vooruit.”
Een boek inkorten van 800 pagina’s naar 355 heb ik gelukkig nog niet hoeven doen. Maar ook ik heb bruut moeten snoeien, en delen van mijn romans geschrapt.
Het is soms echt niet makkelijk, zelfs wanneer je honderd procent zeker weet dat je verhaal er beter van wordt.
We noemen het niet voor niets: kill your darlings.



