Subplots: meer dan opvulling
Oké, je hoofdpersoon heeft een doel. Ze wil iets bereiken, ze worstelt ergens mee, ze groeit als mens. Dat is je hoofdplot, de ruggengraat van je boek. Maar een roman die alléén uit die ene lijn bestaat, voelt al snel wat mager aan.
Daarom hebben de meeste verhalen subplots nodig: kleinere verhaallijnen die naast het hoofdverhaal lopen en het geheel verrijken.
Dit laatste is van belang. Het risico bestaat namelijk dat je subplots in jouw verhaal gaat beschouwen als opvulling. Iets om de boel wat op te rekken, om een bepaald woordaantal te halen, of omdat je nu eenmaal nog andere personages hebt die ook iets moeten doen. Het is immers niet het grotere verhaal dat je eigenlijk wilt vertellen. De reden waarom je het boek bent gaan schrijven.
Maar zo werkt het niet. De lezer zal waarschijnlijk merken dat de verhaallijnen die naast de hoofdlijn bestaan, voor jou als schrijver niet meer dan opvulling waren. Dit is geen prettige leeservaring.
Nee, een goede subplot is geen ballast. Het is een versterker.
Ik vertel je er graag meer over:
Wat is een subplot?
Waarom subplots werken
De valkuil van te veel verhaallijnen
Verbinding is alles
Timing en afwisseling
Het einde van een subplot
Een subplot hoeft niet ingewikkeld te zijn
Wat is een subplot?
Een subplot is een verhaallijn die parallel loopt aan je hoofdplot. Het heeft een eigen begin, midden en einde, vaak met een eigen spanningsboog. Het draait meestal om een ander personage dan je hoofdpersoon, of om een ander aspect van het leven van je hoofdpersoon.
Denk aan een roman over een vrouw die probeert een eigen restaurant te openen. Dat is het hoofdverhaal. Een subplot zou kunnen gaan over haar broer die worstelt met een verslaving, of over buurtbewoners die zich zorgen maken over verrommeling van de wijk. Elk van deze lijnen heeft een eigen verhaal te vertellen, maar ze staan niet los van het geheel.
Ook een hond, kat of ander dier kan prima de drager zijn van een subplot. Denk aan de hond die ziek wordt en de hoofdpersoon dwingt om stil te staan bij vergankelijkheid, of de zwerfkat die langzaam het vertrouwen van een gesloten personage wint. Een huisdier kan ook de verbinding vormen tussen twee personages die elkaar anders nooit zouden ontmoeten, of juist de bron zijn van conflict in een relatie.
Wat een dier zo geschikt maakt voor een subplot, is dat het sterke emoties oproept zonder veel woorden nodig te hebben. Een scène waarin iemand ’s nachts naast een zieke hond op de grond ligt, vertelt de lezer in één beeld meer over dat personage dan drie pagina’s innerlijke monoloog.
Maar: let wel op dat je het dier niet reduceert tot een trucje. Een huisdier dat alleen maar te voorschijn komt om dood te gaan en zo de hoofdpersoon een emotioneel moment te bezorgen, voelt goedkoop. Geef het dier een eigen aanwezigheid in het verhaal, laat het terugkomen in verschillende scènes, en de lezer zal er net zo aan gehecht raken als je personages.
Waarom subplots werken
Een goede subplot doet meer dan alleen afwisseling bieden. Het versterkt je hoofdverhaal op manieren die je misschien niet meteen ziet.
Ten eerste kan een subplot je thema vanuit een andere hoek belichten. Stel dat je hoofdverhaal gaat over ambitie en de prijs die je daarvoor betaalt. Een subplot over een personage dat juist alle ambitie heeft laten varen, laat de lezer zien wat het alternatief is. Een verhaallijn over iemand die door ambitie alles is kwijtgeraakt, kan een waarschuwing zijn voor wat je hoofdpersoon misschien te wachten staat. Zonder het helemaal uit te spellen, geef je je lezer stof tot nadenken.
Ten tweede kan een subplot informatie onthullen die je hoofdpersoon niet heeft. Als de lezer iets weet wat je hoofdpersoon niet weet, ontstaat er spanning. Hij ziet het gevaar aankomen en wil roepen: pas op! Dat gevoel kun je creëren door een subplot te gebruiken waarin de lezer dingen te weten komt die later belangrijk worden.
Ten derde bieden subplots rust. Niet elke pagina kan op volle spanning draaien. Door af en toe naar een andere verhaallijn te springen, geef je de lezer even ademruimte. Tegelijkertijd kun je de spanning van je hoofdverhaal laten sudderen op de achtergrond.
De valkuil van te veel verhaallijnen
Het is - voor sommige schrijvers meer dan andere - verleidelijk om subplots te blijven toevoegen. Die ene collega van de hoofdpersoon is zo’n leuk personage, die verdient toch ook een eigen verhaallijn? En wat dacht je van de buurvrouw? En de ex?
Maar elke verhaallijn die je toevoegt, vraagt aandacht. Van jou als schrijver, en van je lezer. Te veel lijnen maken een boek rommelig. De lezer raakt het overzicht kwijt, of erger nog: het kan haar niet echt meer schelen wat er gebeurt omdat er simpelweg te veel gaande is. Overkill dus.
Een vuistregel die veel schrijvers hanteren: houd het bij twee of drie subplots, afhankelijk van de lengte van je boek. En zorg dat elke subplot écht iets toevoegt. Als je een verhaallijn kunt schrappen zonder dat je boek eronder lijdt, dan hoorde die lijn er waarschijnlijk niet in thuis.
Verbinding is alles
Het belangrijkste kenmerk van een goede subplot is dat het verbonden is met je hoofdverhaal. Niet per se door de gebeurtenissen, maar door het thema, de sfeer, of de manier waarop het je hoofdpersoon beïnvloedt.
Een subplot die volledig losstaat van de rest, voelt alsof er om de een of andere reden scènes uit een andere roman tussen zijn geplakt. De lezer vraagt zich af waarom dit erbij hoort. Dat wil je voorkomen.
De verbinding kan heel direct zijn. De verhaallijn over de broer met een verslaving raakt direct aan het hoofdverhaal als de hoofdpersoon hem in dienst neemt in haar restaurant. Maar de verbinding kan ook thematisch zijn. De broer worstelt met controle verliezen over zijn eigen leven, net zoals de hoofdpersoon worstelt met controle houden over haar droom. Ze voeren dezelfde strijd, alleen op een ander slagveld. En de lezer zal dit voelen, zelfs wanneer hij zich dit niet echt bewust is.
Timing en afwisseling
Wanneer spring je naar een subplot? Dat is een kwestie van gevoel, maar er zijn een paar richtlijnen die helpen.
Wissel niet te snel. Als je elke paar pagina’s naar een andere verhaallijn springt, krijgt geen enkele lijn de kans om vaart op te bouwen. Geef elke scène of elk hoofdstuk de ruimte om iets te bereiken voordat je de aandacht van de lezer weer een andere kant op stuurt.
Gebruik subplots op slimme momenten. Spring naar een andere verhaallijn op het moment dat je hoofdverhaal op een spannend punt is beland. De lezer wil weten hoe het verder gaat, maar moet even wachten. Dat is geen straf, maar het opbouwen van spanning. Als je daarna terugkeert naar het hoofdverhaal, is de lezer des te nieuwsgieriger.
Zorg dat je subplots niet te lang uit beeld zijn. Als een verhaallijn honderd pagina’s niet aan bod komt, is de lezer vergeten waar het ook alweer over ging. Dat schaadt de betrokkenheid. Houd alle lijnen in de lucht, ook als sommige wat minder vaak voorbijkomen dan andere.
Het einde van een subplot
Subplots hoeven niet allemaal tegelijk met je hoofdverhaal te eindigen. Sterker nog, het werkt vaak beter als dat niet zo is.
Een subplot die eerder eindigt dan je hoofdverhaal, kan ruimte maken. De lezer hoeft niet meer aan die lijn te denken en kan zich volledig richten op de grote finale. Een subplot die iets later eindigt, kan dienen als een soort echo: het hoofdverhaal is afgelopen, maar we zien nog even de gevolgen ervan weerspiegeld in een ander personage.
Wat je wilt vermijden, is een subplot die gewoon stopt zonder afronding. Dat voelt alsof je de lezer iets belooft en die belofte niet nakomt. Elke verhaallijn verdient een einde, hoe bescheiden ook.
Een subplot hoeft niet ingewikkeld te zijn
Een subplot kan heel eenvoudig zijn. Het hoeft geen wendingen en verrassingen en grote onthullingen te bevatten.
Het gaat er niet om hoe ingewikkeld je subplot is. Het gaat erom dat het iets toevoegt aan de leeservaring. Dat kan verdieping zijn, afwisseling, spanning, of gewoon warmte. Een kleine verhaallijn over vriendschap, verweven door een groter verhaal over verlies, kan precies het lichtpuntje zijn dat je boek nodig heeft.
Dus onthoud: subplots zijn geen bijzaak. Ze zijn onderdeel van het weefsel van je roman, draden die samen met je hoofdverhaal een geheel vormen. Behandel ze met dezelfde zorg als je hoofdlijn. Vraag je bij elke verhaallijn af: waarom is dit er? Wat voegt het toe? Hoe hangt het samen met de rest?
Als je die vragen kunt beantwoorden, heb je waarschijnlijk een subplot die werkt. Eentje die je roman niet verzwaart, maar verrijkt.



